Microscoop Onderzoek lopend

Complement Signatures Across Retinal Diseases for Enhanced Precision Medicine

Welke kenmerken van het complementsysteem, een onderdeel van het afweersysteem, spelen een rol bij verschillende netvliesaandoeningen? Dit onderzoek zoekt naar overeenkomsten tussen patiëntgroepen om toekomstige behandelingen beter af te stemmen op het onderliggende ziekteproces.

Onderzoeksdetails:
Projectleider: dr. J.J.W. Kuiper
Instituut: UMC Utrecht

Waar gaat dit onderzoek over?

Bij verschillende netvliesaandoeningen speelt het complementsysteem mogelijk een belangrijke rol. Het complementsysteem is onderdeel van het afweersysteem en helpt normaal gesproken bij het opruimen van ziekteverwekkers en beschadigde cellen. Maar wanneer dit systeem ontregeld raakt, kan het bijdragen aan schade aan het netvlies.

Onderzoekers van het UMC Utrecht onderzoeken of patiënten met verschillende netvliesaandoeningen gemeenschappelijke ‘complementprofielen’ in hun bloed hebben. Het gaat onder meer om leeftijdsgebonden maculadegeneratie (LMD), multifocale choroiditis, niet-infectieuze uveïtis en erfelijke netvliesdystrofieën.

Door deze bloedprofielen te vergelijken hopen de onderzoekers subgroepen van patiënten te herkennen die mogelijk baat hebben bij nieuwe behandelingen die gericht zijn op het complementsysteem.

Wat willen de onderzoekers bereiken?

Het doel van het onderzoek is om te bepalen of bloedprofielen van patiënten betere aanknopingspunten geven voor behandeling dan alleen de diagnose of genetische oorzaak.

De onderzoekers willen:

bloedprofielen van patiënten met verschillende netvliesaandoeningen vergelijken;

patiënten indelen in groepen met vergelijkbare complementactiviteit;

onderzoeken welke complementfactoren kenmerkend zijn voor deze groepen;

beter begrijpen welke patiënten mogelijk reageren op complementremmers.

Waarom is dit belangrijk?

Nieuwe geneesmiddelen die het complementsysteem remmen worden momenteel onderzocht voor LMD. Niet iedere patiënt reageert echter hetzelfde op deze behandelingen en sommige therapieën kunnen ernstige bijwerkingen geven.

Recente studies laten zien dat vergelijkbare afwijkingen in het complementsysteem ook voorkomen bij andere netvliesaandoeningen. Daardoor zouden mogelijk veel meer patiënten in aanmerking kunnen komen voor deze nieuwe behandelingen dan eerder gedacht.

Het onderzoek richt zich daarom op een meer gepersonaliseerde aanpak: niet alleen kijken naar de naam van de aandoening, maar vooral naar de onderliggende biologische processen.

Wat wordt er onderzocht?

  • Welke complementprofielen voorkomen bij verschillende netvliesaandoeningen?
  • Welke patiënten hebben vergelijkbare biologische kenmerken, ongeacht hun diagnose?
  • Welke complementfactoren hangen samen met mogelijke behandelrespons?
  • Welke bestaande of nieuwe therapieën sluiten mogelijk aan bij deze patiëntgroepen?

Hoe wordt het onderzoek uitgevoerd?

De onderzoekers gebruiken bestaande bloedgegevens en eiwitprofielen van ongeveer 400 patiënten met verschillende netvliesaandoeningen en gezonde controles. Deze gegevens zijn in eerdere studies al verzameld en gemeten.

Met geavanceerde analyses vergelijken de onderzoekers de activiteit van complementfactoren tussen patiëntgroepen. De eerste analyses zijn inmiddels uitgevoerd. Daarbij zijn al verschillende groepen patiënten gevonden met vergelijkbare complementprofielen en zijn afweerfactoren geïdentificeerd die deze groepen kenmerken.

In het vervolg van het project richten de onderzoekers zich vooral op het valideren van deze resultaten en het onderzoeken welke bestaande of nieuwe behandelingen mogelijk aangrijpen op deze moleculaire routes.

Daarnaast vergelijken de onderzoekers hun resultaten met gegevens uit andere studies en biobanken om te onderzoeken hoe betrouwbaar en bruikbaar de gevonden profielen zijn.

Wat levert het onderzoek op?

Het onderzoek levert meer inzicht op in de rol van het complementsysteem bij verschillende netvliesaandoeningen.

Daarnaast hopen de onderzoekers bloedprofielen te bevestigen die kunnen helpen voorspellen welke patiënten mogelijk baat hebben bij complementremmende behandelingen. Dit kan bijdragen aan meer gepersonaliseerde zorg en gerichtere toekomstige klinische studies.

Wat betekent dit straks voor patiënten?

Als deze aanpak succesvol blijkt, kunnen patiënten in de toekomst mogelijk een behandeling krijgen die beter aansluit bij hun persoonlijke biologische profiel. Daardoor kunnen behandelingen effectiever worden en kunnen onnodige bijwerkingen mogelijk worden voorkomen.

De onderzoekers schatten dat uiteindelijk mogelijk 10 tot 20 procent van een grote groep patiënten met netvliesaandoeningen voordeel kan hebben van deze aanpak.

De kennis uit dit onderzoek kan bovendien bijdragen aan bredere toepassing van complementremmers bij meerdere netvliesaandoeningen, en zo nieuwe behandelopties openen voor patiënten die nu nog weinig mogelijkheden hebben.