Omvang visuele beperkingen in kaart gebracht

13 mei 2026

Nieuwe studie brengt omvang visuele beperkingen in Nederland in kaart

Voor het eerst is er een actueel beeld van het aantal volwassenen met een visuele beperking in Nederland. In een meta-analyse van acht representatieve databronnen, met gegevens van ruim 1,8 miljoen Nederlanders, schatten onderzoekers dat in 2025 tussen de circa 39.000 en 406.000 volwassenen een visuele beperking hebben. Een opvallende bandbreedte met een interessante achtergrond.

Achtergrond van het onderzoek

De studie is uitgevoerd door onderzoekers van Amsterdam UMC, onder leiding van epidemioloog Ellen Elsman en hoogleraar Ruth van Nispen, beiden verbonden aan de afdeling Oogheelkunde. Voor het onderzoek analyseerden zij gegevens van ruim 1,8 miljoen Nederlanders. “We hebben drie typen databronnen gecombineerd,” vertelt Elsman. “Cohortstudies met metingen van visus of zelfrapportage, grootschalige gezondheidsenquêtes met zelfrapportage en registratiedata uit de eerstelijnszorg.”

Het gaat onder meer om langlopende cohortstudies uit Maastricht, Rotterdam, Doetinchem, Amsterdam (LASA) en Groningen. Daarnaast zijn landelijke surveys meegenomen, zoals de Gezondheidsmonitor en Gezondheidsenquête van het CBS, de GGD en het RIVM (GEMON en GECON). Ook is gebruikgemaakt van de Nivel Primary Care Database, met registratiegegevens uit huisartspraktijken over klachten en diagnoses.

Verschillende meetmethoden, verschillende uitkomsten

Afhankelijk van de gehanteerde methode varieert de geschatte prevalentie van circa 0,3% (op basis van best-gecorrigeerde visus) tot ruim 3% wanneer wordt gekeken naar zelfgerapporteerde visuele problemen in het dagelijks functioneren. “Die verschillen zijn opvallend, maar verklaarbaar,” licht Elsman toe. “Medische metingen laten vaak zien wat iemand kan zien onder optimale omstandigheden, met de beste correctie. Zelfrapportage laat zien hoe mensen hun zicht in het dagelijks leven ervaren.”

Dit verschil wijst er mogelijk op dat een groot deel van de ervaren visuele beperkingen samenhangt met niet- of onvoldoende gecorrigeerde oogafwijkingen, of met drempels in de toegang tot oogzorg.

Vergrijzing drijft toekomstige zorgvraag

De onderzoekers projecteerden de prevalentiecijfers naar de bevolkingssamenstelling van de toekomst. Op basis van demografische ontwikkelingen, vooral vergrijzing en bevolkingsgroei, wordt een stijging verwacht naar 48.800 tot 489.100 volwassenen met een visuele beperking in 2050.

“De toename verwachten we vooral in de oudere leeftijdsgroepen, waar de prevalentie het hoogst is,” zegt Elsman. Daarmee bevestigt de studie bestaande inzichten, maar is zij de eerste studie die een kwantitatieve onderbouwing geeft op basis van Nederlandse populatiedata.

Implicaties voor praktijk en beleid

De resultaten maken duidelijk dat de vraag naar oogzorg en low vision-zorg de komende jaren zal toenemen. Volgens Elsman zal dat ook gevolgen hebben voor de capaciteit in de oogzorg. “We weten dat er nu al tekorten zijn aan oogartsen en dat de druk op de zorg groot is,” zegt zij. “Als het aantal mensen met zichtproblemen toeneemt, vraagt dat iets van de capaciteit en organisatie van de zorg.”

Tegelijk benadrukt ze dat er winst te behalen is in het eerder signaleren van klachten. “Het is belangrijk dat we meer aandacht besteden aan tijdige signalering van visuele problemen en de drempels naar optometrie en oogheelkunde verlagen.” Ook betere correctie van het zicht in het dagelijks leven kan een verschil maken.

“Het verschil tussen wat we meten en wat mensen ervaren laat zien dat veel mensen mogelijk nog niet de juiste hulp krijgen,” zegt Elsman. “Daar liggen kansen, bijvoorbeeld door betere toegang tot oogzorg en tijdige controle.”

Daarnaast wijzen de resultaten op het belang van verdere verdieping: meer inzicht in onderliggende oogaandoeningen, zorggebruik en de maatschappelijke impact van visuele beperkingen is nodig om gerichte keuzes te maken voor beleid en praktijk.

Onderzoek als basis voor gerichte interventies

Een belangrijke meerwaarde van deze studie is dat voor het eerst meerdere nationale databronnen samen zijn gebracht in één analyse. Dat geeft een beter en meer actueel beeld dan eerdere schattingen, die vaak gebaseerd waren op internationale extrapolaties of verouderde data.

“De interpretatie van de uitkomsten vraagt wel om voorzichtigheid,
zegt Elsman. “We weten niet of schattingen zoals die van de bevolkingstoename daadwerkelijk zo uitkomen.” Ook wijst ze erop dat het grote aandeel zelfgerapporteerde data en mogelijke ondervertegenwoordiging van kwetsbare groepen vraagt om vervolgonderzoek.

“Dit is een belangrijke stap, maar zeker geen eindpunt,” aldus Elsman. “We hebben nu beter zicht op de omvang van het probleem. De volgende stap is begrijpen waar het precies door komt en hoe we het kunnen aanpakken.”

Naar een toekomstbestendige oogzorg

De studie laat zien dat zichtproblemen een groeiend maatschappelijk vraagstuk zijn. Door de vergrijzing en de toenemende vraag naar zorg zullen steeds meer mensen ondersteuning nodig hebben.

Daarom blijft investeren in onderzoek en toegankelijke oogzorg belangrijk. “Deze cijfers laten zien dat het iedereen kan treffen,” aldus Elsman. “Het verliezen van je zicht heeft enorme impact op je leven. Alles wat we kunnen doen om dit te voorkomen, is dus van groot belang.” Dat helpt ook andere zorgkosten voorkomen, bijvoorbeeld door minder valincidenten en minder afhankelijkheid van zorg.

Dit is wat een persoon ziet met